Actueel

woensdag 26 08 2009

Paalpraat

Na flink wat navigatiewerk kom ik uiteindelijk op het kunstmatige grachtje dat toegang geeft tot de parkeergarage van het Ministerie. Buiten regent het en het waait. Ik sta stil voor een slagboom en moet praten via een paal. De waairegen komt horizontaal de auto in. Ik druk een paar keer op een knop tot ik uiteindelijk een stem hoor. Ik vertel wie ik ben en voor wie ik kom. Precies zoals dat altijd gaat. Het is even stil. Mijn gezicht wordt al natter. De man praat terug en zegt dat ik er niet in mag. 'Waarom niet?' wil ik weten, ik ben toch hoog bezoek? Ik ben ook aangemeld, dat heeft de secretaresse van Die en Die mij zelf laten weten. Die en Die is trouwens de manager Facilitaire Zaken van dit hele Ministerie, dus de baas van deze paalprater, maar ik vind het niet gepast om die troef uit te spelen. 'Ja, u bent aangemeld', zegt de anonieme parkeerwacht, 'maar niet alle velden zijn ingevuld'. Wat is dat nou? Niet alle velden zijn ingevuld? Hij heeft mijn naam, ook de naam van mijn klant en zelfs de cijfer-lettercombinatie van mijn kentekenplaat. Hij weet van welk bedrijf ik kom en op welke dag, namelijk vandaag. Maar ik kan er niet in omdat er geen tijd is ingevuld. Niet vanaf hoe laat ik kom, en ook niet om hoe laat ik weer verdwijn.



'Maar ik kom nu, dan vult u dat toch in, en ik ben over anderhalf uur weer weg?' Het is simpel denk ik, hij laat mij er vast in. De stem zegt droog, zonder verwijt en ook zonder leedvermaak, eigenlijk zonder helemaal iets, dat hij niet voor mij een plek een hele dag gereserveerd kan houden. Ik hap naar lucht en wil al boos worden. Maar nee, dat heeft geen zin. Het doel telt nu, niet dit gesprek. Een parkeerplek wens ik en snel een beetje. Mijn hoofd en linkerschouder raken doorweekt. En ik ben toch niet bang voor een beetje ministeriële bureaucratie?
Of er op dit moment plekken vrij zijn voor de bezoekers, vraag ik. Tot mijn stomme verbazing antwoordt hij bevestigend. Maar hij kan mij er 'helaas' niet inlaten. Vanwege die niet ingevulde velden dus. Hij zegt het echt. Deze man spreekt geen Nederlands, hij spreekt van-kastje-naar-muurs. Op een mooi lentedag zou ik er de humor van inzien. Ik zou kunnen begrijpen dat deze man de hele dag op een knop drukt om mensen binnen te laten, van wie alle velden perfect zijn ingevuld. Hij zit daar maar, in zijn mooie bewakersuniform. Thuis is hij hoofd van een gezin. Zijn kinderen houden van hem. 'Papa is bewaker' zeggen ze trots. Zijn vrouw laat zich door hem knuffelen en strijkt zijn bewakersoverhemden. Hij heeft een cursus gedaan over klantgerichtheid en kwaliteitszorg. Daarin is hem geleerd dat de veiligheid van het personeel en van de bezoekers belangrijk is, dat het Ministerie reële risico's loopt. Juist in deze tijd. Hij heeft begrepen en gevóeld dat hij écht een steentje kan bijdragen aan het 'totaalproduct' van deze organisatie. Deze saamhorigheid is hem door een adviseur zoals ikzelf, tijdens een workshop op 'locatie', duidelijk aangetoond. Daarna heeft hij met zijn collega's er nog een glas op gedronken tijdens het informele 'aansluitende' diner. Ze hebben toen een T-shirt meegekregen met een slogan: 'samen sterk voor kwaliteit' stond erop. Hij heeft het nooit gedragen maar het was wel een leuke geste. En nu staat er een bezoeker wiens velden niet zijn ingevuld. Niet opendoen dus. Sorry, voor uw eigen veiligheid.
Deze man is beleefd en doet zijn werk. Hij is er trots op. Maar het is herfst, het regent, het waait. Ik wil dit niet begrijpen. Wat nu te doen? Hij verwijst mij naar de openbare parkeergarage, achter mij, aan de andere kant van het namaakgrachtje. Ik zeg niets meer terug, ik weet niets te zeggen. En het raampje moet nu echt dicht. Achter mij staan inmiddels drie auto's te wachten. Éen is er van mijn collega. Hij grijnst en kijkt dan vragend. Ik gebaar dat ik naar achteren moet, schakel naar achteruit. Verveeld en geërgerd wurmt het stoetje zich terug het grachtje op. Ik kan er uit en vind zes bochten en drie stoplichten verder de bedoelde openbare garage. Te voet marcheer ik naar de hoofdingang van het Ministerie. Bij de receptie staat mijn collega nog breder grijnzend op mij te wachten. Zijn velden waren dus allemaal ingevuld, de bofkont.
Eenmaal in de kamer van mijn klant doe ik terloops mijn verhaal. Ik wil mijn leed er niet teveel bovenop leggen, maar hoop stiekem wel op haar sympathie. Mijn schouder is nog doornat. Of minimaal verwacht ik dat ze er een beetje van schrikt. 'Gut en tjee, dat dát gebeurt onder mijn bewind'. Zoiets.
Ah, ze geeft antwoord. Ze zegt inderdaad van 'gut' en 'tjee'. Maar ze is niet onder de indruk van mijn flauwe geklaag. Al wat ze verder zegt is dat ze er een e-mail over zal sturen. 'Oja', herinnert zij zich nu opgewekt: 'er is een speciaal klachtenformulier voor dit soort interne dingen. Dat zal ik wel invullen.' En ze gaat over tot waar ze me voor nodig heeft: samenwerking en communicatie binnen het facilitair bedrijf.

Bron: Zomertroost door Martijn Vroemen, Springer Uitgeverij BV.